Nieuwsbrief

Door onderstaande gegevens in te vullen ontvangt u elk kwartaal onze nieuwsbrief.

Naam van uw bedrijf / organisatie
Uw naam
Uw emailadres
 

Rechtspraak: willekeur bij reorganisatie stuit ontbindingsverzoek

Bron: Rechtbank Zutphen, Kantonrechter Apeldoorn, 1 april 2010, JAR 2010/112, LJN BM6091.

Samenvatting

De werknemer, geboren op 26 februari 1952, is sinds 1 maart 2001 bij de werkgever in dienst als CS accountmanager. Bij de werkgever is ook de heer X in dienst, sinds 1 augustus 1995. X was tot 4 januari 2010 ingehuurd door een zusteronderneming van de werkgever. In 2009 heeft de werkgever een reorganisatie aangekondigd. In het kader daarvan heeft de werkgever op 21 december 2009 de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst met de werknemer te ontbinden. De kantonrechter heeft het verzoek afgewezen. De werknemer heeft de werkgever verzocht zijn werkzaamheden te mogen hervatten, maar de werkgever stelt zich op het standpunt dat er geen werk meer beschikbaar is. De werkgever verzoekt nu opnieuw ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De werknemer stelt dat hij ten onrechte voor ontslag wordt voorgedragen in plaats van zijn collega X. Diens detachering is namelijk afgelopen en hij verricht vanaf januari 2010 de werkzaamheden die de werknemer voorheen uitvoerde totdat hij in december 2009 op non-actief werd gesteld.

De kantonrechter stelt vast dat er een bedrijfseconomische noodzaak is voor de reorganisatie. De werknemer is aanvankelijk steeds vermeld op de lijst van blijvers. Bij de reorganisatieplannen en de adviesaanvragen aan de OR is de positie van de medewerkers die werden ingehuurd door zustervennootschappen in het buitenland buiten beschouwing gelaten. Voor de werknemer betekent dit dat geen rekening is gehouden met X. De werkgever heeft ook expliciet aangegeven dat, als er voor de medewerkers bij zustervennootschappen aldaar geen werk meer zou zijn, zij boventallig zouden zijn en nagegaan zou worden of de arbeidsovereenkomst met hen ontbonden zou moeten worden. X stond eerst op de lijst van degenen die zouden moeten vertrekken. Vervolgens heeft de werkgever echter anders besloten en heeft hij ervoor gekozen om X de werkzaamheden te laten verrichten die tot dat moment door de werknemer werden verricht. De werkgever heeft deze keuze niet nader toegelicht. Onder deze omstandigheden acht de kantonrechter ontbinding niet gerechtvaardigd. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

» Uitspraak

1. Het procesverloop
(...; red.

2. De feiten
2.1. Werknemer, geboren op 26 februari 1952, is sedert 1 maart 2001 in dienst van werkgever in de functie van CS accountmanager A tegen een salaris van – laatstelijk – € 4.993,11 bruto per maand (inclusief vakantietoeslag).
2.2. De heer X, geboren op 29 mei 1958, is sedert 1 augustus 1995 in dienst van werkgever in de functie van CS accountmanager B. X was tot 4 januari 2010 ingehuurd door een zusteronderneming van werkgever voor enige projecten in Hong Kong.
2.3. Op 21 april 2009 heeft werkgever aan de ondernemingsraad advies gevraagd omtrent een voorgenomen reorganisatie, in het kader waarvan 22,6 fte, zijnde 24 arbeidsplaatsen, zouden moeten vervallen. De ondernemingsraad heeft positief geadviseerd.
2.4. Op 1 december 2009 heeft werkgever opnieuw advies aan de ondernemingsraad gevraagd voor een reorganisatie. Ook hierover heeft de ondernemingsraad positief geadviseerd.
2.5. X is vanaf januari 2010 niet meer werkzaam voor de zusteronderneming van werkgever in Hong Kong. Sedertdien verricht hij de werkzaamheden die voorheen door werknemer werden uitgevoerd. Werknemer is medio december 2009 op non-actief gesteld.
2.6. Op 21 december 2009 heeft werkgever de kantonrechter te Apeldoorn verzocht de arbeidsovereenkomst met werknemer te ontbinden, zonder aan hem een vergoeding toe te kennen. Bij beschikking van 4 februari 2010 heeft de kantonrechter te Apeldoorn dit verzoek afgewezen.
2.7. Werknemer heeft op 8 februari 2010 contact opgenomen met werkgever en een afspraak gemaakt teneinde te spreken over zijn werkhervatting. Dit gesprek heeft op 10 februari 2010 plaatsgevonden. Werkgever is in dit gesprek bij haar standpunt gebleven dat er voor werknemer geen werk beschikbaar meer was. 

3. Het verzoek en het verweer
3.1. Werkgever verzoekt thans opnieuw de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met werknemer, onder toekenning aan hem van een vergoeding van € 100.000,= bruto alsmede een bedrag van € 3.600,= netto voor outplacement.
3.2. Werknemer heeft verweer gevoerd. Op de stellingen van partijen zal hierna – voor zover van belang – nader worden ingegaan. 

4. De beoordeling

4.1. Werknemer stelt zich primair op het standpunt dat werkgever niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat sprake is van een verkapt hoger beroep tegen de beschikking van de kantonrechter van 4 februari 2010.
4.2. De kantonrechter passeert dit betoog.
Werkgever stelt dat het onderhavige verzoek is gebaseerd op de bedrijfseconomische noodzaak tot reorganisatie, zoals die op basis van de gegevens per maart 2010 aantoonbaar is. Werkgever stelt de adviesaanvragen aan de OR en de daarbij behorende cijfers ter informatie te hebben overgelegd, evenals de jaarstukken 2009. Werkgever stelt haar huidig verzoek te baseren op de cijfers per datum van de mondelinge behandeling. Uit die cijfers blijkt volgens werkgever dat door de afdeling Marine, waar werknemer werkzaam is, in januari 2010 een verlies is geleden van € 80.000,= en in februari 2010 een verlies van € 306.000,=. In de visie van werkgever is er 1,4 fte teveel aan personeel en leidt het afspiegelingsbeginsel er toe dat de arbeidsovereenkomst met werknemer dient te worden ontbonden. Uit het voorgaande blijkt dat het verzoek niet is gebaseerd op dezelfde feiten en omstandigheden als het eerder door werkgever gedane verzoek.
4.3. Werknemer erkent dat er sprake is van een overschot aan personeel. Werknemer erkent daarmee de door werkgever aan het verzoek ten grondslag gelegde bedrijfseconomische noodzaak. Werknemer erkent voorts dat het afspiegelingsbeginsel er naar de feitelijke situatie van maart 2010 er toe leidt dat hij zou moeten afvloeien.
Desondanks meent werknemer dat het verzoek tot ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst moet worden afgewezen, dan wel, in het geval dat verzoek wordt toegewezen, dat hem een vergoeding toekomt gebaseerd op een correctiefactor van 3.
4.4. Zowel in de stukken die behoren bij de adviesaanvraag van 21 april 2009, als in de stukken die behoren bij de adviesaanvraag van 1 december 2009, is werknemer vermeld op de lijst van blijvers. Op het functieniveau van werknemer was volgens beide adviesaanvragen geen sprake van overcapaciteit. Zowel vóór als na de reorganisatie was ruimte voor twee accountmanagers, te weten werknemer en de heer Y. Bij die adviesaanvragen is de positie van de medewerkers die werden ingehuurd door zustervennootschappen in het buitenland buiten beschouwing gelaten. Voor werknemer betekent dit dat geen rekening is gehouden met de heer X. In bijlage 5 bij de adviesaanvraag van 1 december is daarover opgenomen:
``Afspiegeling CS Accountmanagers (peildatum 1 april 2009)
[...]
Wanneer de heer X op 1 april 2009 niet ingezet was bij zustervennootschap van werkgever, zou de heer Z. moeten afvloeien in de leeftijdscategorie 45-55 jaar en werknemer in de leeftijdscategorie 55-65 jaar.''
In het verzoekschrift van 21 december 2009 schrijft de advocaat van werkgever op dit punt:
``8. Medewerkers zijn vooralsnog werkzaam voor zustervennootschappen van werkgever. Indien voor deze 8 medewerkers geen werk meer bij die zustervennootschappen zal zijn, wordt nagegaan of op dat moment met hen de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden, omdat zij boventallig zijn.''
In de pleitnotities ten behoeve van de mondelinge behandeling van het onderhavige verzoek schrijft de advocaat van werkgever:
``Op 15 maart 2010 werken er binnen werkgever totaal 84 medewerkers (78,9 FTE).
[...]
Boven de 84 medewerkers, worden 7 medewerkers (6,8 FTE) thans ingehuurd door zustervennootschappen.
De kosten voor deze 7 medewerkers van werkgever worden volledig aan die zustervennootschappen doorbelast.
De kosten van deze 7 – eigenlijk boventallige – medewerkers van werkgever behoeven dus niet door haar te worden gedragen.''
Werknemer heeft verder onweersproken gesteld dat hem is toegezegd dat hij niet hoefde te vertrekken in het kader van de reorganisatie. Op geen enkele wijze is aannemelijk geworden dat aan werknemer of – in breder verband – aan de ondernemingsraad is kenbaar gemaakt dat bij terugkeer van medewerkers die bij zustervennootschappen waren gedetacheerd opnieuw afspiegeling zou moeten plaatsvinden.
Zowel in de stukken die behoren bij de adviesaanvraag van 21 april 2009, als in de stukken die behoren bij de adviesaanvraag van 1 december 2009, is X vermeld op de lijst van wijkers.
Uit het voorgaande trekt de kantonrechter de conclusie dat de bij zustervennootschappen gedetacheerde werknemers van werkgever bij de reorganisatie buiten de afspiegeling zijn gehouden, omdat zij reeds boventallig waren verklaard. Bij beëindiging van de werkzaamheden bij de zustervennootschappen zou werkgever op dat moment beoordelen of de arbeidsovereenkomst ook daadwerkelijk ontbonden zou worden. De kantonrechter begrijpt de stukken aldus, dat er bij beëindiging van de werkzaamheden bij de zustervennootschappen bezien zou worden of er voor de desbetreffende werknemers werkzaamheden bij werkgever in Nederland beschikbaar waren en bij ontbreken daarvan de arbeidsovereenkomst met die werknemers zou worden ontbonden.
In het geval van de heer X heeft werkgever echter anders besloten. In plaats van per 1 januari 2010 te bezien of er werkzaamheden voor X beschikbaar waren, heeft werkgever er voor gekozen om X in Nederland bij werkgever werkzaamheden te laten verrichten die tot dat moment door werknemer werden verricht. Vervolgens heeft werkgever in die nieuw ontstane feitelijke situatie geoordeeld dat er één accountmanager teveel was en dat werknemer op grond van het afspiegelingsbeginsel moest afvloeien. Waarom werkgever deze keuze heeft gemaakt en is afgeweken van de lijn die zij vanaf het eerste begin van de reorganisatie naar de werknemers en de ondernemingsraad heeft kenbaar gemaakt, is niet toegelicht. Onduidelijk blijft derhalve, waarom de reeds overtollig verklaarde X de werkzaamheden is gaan verrichten die voorheen door werknemer werden verricht, met terzijdestelling van werknemer.
4.5. Vervolgens dient te worden beoordeeld welke consequenties aan het voorgaande moeten worden verbonden. Indien de arbeidsovereenkomst ondanks het voorgaande moet worden ontbonden, is de gang van zaken in ieder geval aanleiding tot het toekennen van een vergoeding aan werknemer met een correctie factor van ten minste 2,5. Voor de kantonrechter is de gang van zaken echter aanleiding om te oordelen dat het verzoek onvoldoende is onderbouwd en – meer specifiek – onvoldoende aannemelijk is geworden dat de bedrijfseconomische omstandigheden meebrengen dat de arbeidsovereenkomst met werknemer moet worden ontbonden. Om die reden is partijen tijdens de mondelinge behandeling gevraagd wat er in hun visie zou gebeuren na een eventuele afwijzing van het verzoek. Beide partijen hebben vervolgens aangegeven dat de terugkeer van werknemer in zijn functie geen onoverkomelijk probleem is. Van de zijde van werkgever is tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat de verhoudingen tussen partijen geen probleem opleveren, maar dat er dan wel iemand anders moet vertrekken. Mede gelet op het feit dat niet ter discussie staat dat er geen aanmerkingen zijn op het functioneren van werknemer, betekent het voorgaande dat het verzoek zal worden afgewezen. Werkgever zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

5. De beslissing
De kantonrechter:
wijst het verzoek af;
veroordeelt werkgever tot betaling van de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van werknemer begroot op € 750,= voor salaris gemachtigde.