Arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd wel of niet zonder tegenspraak voortgezet?
Een arbeidsovereenkomst die is aangegaan voor bepaalde tijd eindigt van rechtswege op de in de overeenkomst aangegeven einddatum. In het kader van het rechtszekerheidsbeginsel is in de wet (artikel 7:668 lid 1 BW) bepaald dat indien de arbeidsovereenkomst na het verstrijken van de duur daarvan door partijen zonder tegenspraak wordt voortgezet, de overeenkomst geacht wordt voor dezelfde tijd, doch ten hoogste voor een jaar, en onder dezelfde voorwaarden te zijn aangegaan. Hoe zit dit nu in de situatie dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt over de nieuwe looptijd van de arbeidsovereenkomst en de werkzaamheden na afloop van de looptijd van de arbeidsovereenkomst wel worden voortgezet? De Hoge Raad heeft hierover op 19 oktober 2007 duidelijkheid verschaft.
In de zaak waarover de Hoge Raad moest oordelen ging het om een werkneemster die voor de werkgever werkzaam was op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van één jaar. Tegen het einde van de looptijd van de arbeidsovereenkomst hebben partijen gesproken over een verlenging van de arbeidsovereenkomst. De werkgever bood aan de arbeidsovereenkomst met 2 maanden te verlengen en heeft dit schriftelijk aan de werkneemster bevestigd met het verzoek dit voor akkoord te ondertekenen. Dit heeft de werkneemster niet gedaan. De werkzaamheden worden na het verstrijken van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd evenwel wel voortzet. Na ongeveer anderhalve maand heeft de werkgever de werknemer laten weten de arbeidsovereenkomst voor de duur van 2 maanden niet te verlengen.
Werkneemster stelt dat geen overeenstemming is bereikt over de arbeidsovereenkomst voor de duur van 2 maanden en stelt dat de (eerste) arbeidsovereenkomst op de voet van art. 7:668 lid 1 BW is voortgezet onder de vroegere voorwaarden voor de duur van een jaar en vordert loondoorbetaling. In de procedure stond de vraag centraal of de arbeidsovereenkomst al dan niet zonder tegenspraak was voortgezet.
Zowel de rechtbank als het hof hebben de vordering van de werkneemster afgewezen. Het hof stelde dat nu de werkgever niet heeft ingestemd met voortzetting voor onbepaalde tijd en werkneemster het niet eens was met een voortzetting van twee maanden, de arbeidsovereenkomst niet zonder tegenspraak is voortgezet. Het feit dat de werkgever werkneemster na 31 juli 2002 heeft toegelaten tot het werk, doet daaraan niet af.
De Hoge Raad oordeelde dat het in een situatie als deze erop aan komt of de werknemer op grond van gedragingen van de werkgever heeft mogen aannemen dat de arbeidsovereenkomst na afloop van de duur daarvan stilzwijgend werd voortgezet. Deze werkgever heeft er naar het oordeel van de Hoge Raad nimmer onzekerheid over laten bestaan dat zij de arbeidsovereenkomst slechts voor de duur van twee maanden wilde voortzetten. Gelet hierop is er geen sprake geweest van "voortzetting zonder tegenspraak" als bedoeld in art. 7:668 lid 1. De loonvordering van de werkneemster was derhalve terecht afgewezen.