Hoge Raad doet uitspraak over toelaatbaarheid doorbreken keten van arbeidsovereenkomsten
voor bepaalde tijd.
Een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd kan niet tot in het oneindige
verlengd worden. Dit is bepaald in artikel 7 668a BW. Werkgever en werknemer
kunnen drie maal een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aangaan.
Een derde verlening (dus de vierde arbeidsovereenkomst voor bepaalde
tijd) heeft automatisch een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd
tot gevolg. Met als gevolg dat de arbeidsovereenkomst niet van rechtswege
eindigt.
De automatische omzetting naar een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde
tijd kan alleen worden voorkomen indien tussen de opvolgende arbeidsovereenkomsten
voor bepaalde tijd een periode van meer dan drie maanden `contractloosheid`zit.
De vraag is dan in hoeverre herhaaldelijk gebruik van deze uitzondering
door de werkgever kan worden toegepast. En dus inhoeverre een werknemer
die met een dergelijke (aanname)beleid van een werkgever wordt geconfronteerd,
een beroep kan doen op ontduiking van het ontslagstelsel.
In een recente uitspraak (29 juni 2007) heeft de Hoge Raad zich hierover
uitgelaten. Het ging in deze zaak om een werknemer van Greenpeace, waarmee
aansluitend een derde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd was overeengekomen.
Omdat partijen daarna nog een volgende overeenkomst voor bepaalde tijd
wilden sluiten werd die derde overeenkomst in onderling overleg vroegtijdig
beëindigd, waarna na een contractloze periode van meer dan drie maanden
een vierde overeenkomst voor bepaalde tijd werd gesloten.
De werknemer stelde achteraf dat dit ontduiking van het wettelijk ontslagstelsel
was en dat er toch een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd was
ontstaan. De Hoge Raad oordeelde dat het vroegtijdig beëindigen van
de derde arbeidsovereenkomst met als doel onderbreking van de keten
van arbeidsovereenkomsten wel is toegestaan. Er was dus geen arbeidsovereenkomst
voor onbepaalde tijd ontstaan.
Wel wijst de Hoge Raad erop, onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis,
dat er omstandigheden kunnen zijn waardoor sprake is van ongeoorloofde
ontduiking of uitholling van de wettelijke regeling. Volgens de wetsgeschiedenis
is daarvan sprake als jaar in jaar uit arbeidsovereenkomsten voor bepaalde
tijd gesloten worden met steeds een contractloze periode van meer dan
drie maanden, als een contract voor onbepaalde tijd dreigt te ontstaan.
Het is daarbij aan de rechter om hierover in concrete gevallen te oordelen.
<<
Terug naar Legal News